donderdag

STRESS(12)

Het Arbeidsbureau

Tegenwoordig heet dat Centrum voor Werk en Inkomen (CWI), maar in mijn tijd ging je nog gewoon naar het arbeidsbureau. Ik zocht daar hulp bij het vinden van ander werk. Ik mocht snuffelen in de kaartenbakken met vacatures, maar op bemiddeling hoefde ik dus niet te rekenen. Dat werd mij ter plaatse elke keer meegedeeld. Omdat ik geen zin had om daar genoegen mee te nemen, besloot ik maar eens te bellen.
Ook aan de telefoon kreeg ik het standaard verhaaltje: “nee mijnheer, u komt niet voor bemiddeling in aanmerking.” Voordat mijn tegenstandster mij neer kon leggen, ging ik haar echter verbaal te lijf:

“Ja, u heeft gelijk! Ik doe uitzendwerk -waar ik de pest in heb- en heb geen uitkering! En nee, dan heb ik formeel vast geen recht op bemiddeling, maar moet ik dan eerst werk gaan weigeren? Dat kan ik me financieel niet eens veroorloven. Als ik nog langer zo doorga, ga ik er psychisch en lichamelijk onderdoor, kom in de WAO terecht en dan zijn mijn vrouw, de samenleving en ikzelf nog verder van huis!” Of woorden van die strekking.

Blijkbaar had ik indruk gemaakt, want ze maakte voor mij onmiddellijk een afspraak met een arbeidsconsulente. Ook deze mevrouw vond mijn verhaal wel interessant, want ze stuurde mij door naar een arbeidspsycholoog (jazeker, die bestaan ook!) in Amersfoort. Deze moest dan weer gaan bepalen of ik in aanmerking kwam voor een psychologische- en intelligentietest. Van het gesprek met de arbeidspsycholoog herinner ik me bijna niets, maar het gevolg was wel dat ik de samenleving nog verder op kosten ging jagen; ik mocht DE TEST doen!

Bij BNN ( De Nationale IQ-test) duurt zo’n test nog geen uur, maar hier werd er een hele dag voor uitgetrokken. Het voelde alsof ik weer voor mijn Havo-examens zat.
Een week later ging ik met de arbeidspsycholoog de resultaten nabespreken. Op alle fronten scoorde ik van “hoog HBO-niveau” tot “gemiddeld wetenschappelijk niveau”. Mijn gesprekspartner was er dan ook van overtuigd dat ik, met de resultaten van dit onderzoek in de hand, alle kanten uit kon. Omdat ik niet gek ben, wist ik natuurlijk al lang dat ik niet gek was, maar dit resultaat was toch niet gek!
Op naar mijn arbeidsconsulente!

wordt vervolgd

woensdag

STRESS(11)

Wat wist ik eigenlijk allemaal zelf over de achtergrond van mijn stressklachten?

Ik deed vanaf mijn 23ste werk dat niet aansloot op mijn interesses en capaciteiten. Wat zoveel wil zeggen als: ik had geen zin in dat stompzinnige magazijnwerk. Maar ondertussen deed ik het al wel twaalf jaar! Ontevredenheid dus over mijn werksituatie.
Maar waarom bleef ik het dan al die tijd doen? Omdat je met HAVO alleen niet ver komt.

Na de HAVO had ik een jaar lopen lanterfanten (zelf zei ik dat ik me aan het oriënteren was), werkte bij Appie Heijn en zat zo vaak mogelijk in de kroeg en de discotheek. Ik schreef me in voor de “School voor Journalistiek” en de “Stichting Opleiding Leraren”. Het jaar daarop werd ik uitgeloot als aankomend journalist en aangenomen als toekomstig docent. Ik bleek me te hebben ingeschreven als student Engels en Aardrijkskunde. Op zich niets mis mee natuurlijk, alleen jammer dat het studiebloed niet door mijn aderen stroomt. In het studentenleven was ik dan wel erg bedreven, in het studeren een stuk minder. En studeren was –in tegenstelling tot op de HAVO- wel nodig. Soms ging ik vol goede moed achter mijn bureau zitten, om na 25 minuten uit het raam staren een pauze in te lassen. Na drieëneenhalf jaar doormodderen, besloot ik te stoppen en werk te gaan zoeken.

De les van mijn studietijd was voor mij: je kunt gerust ander werk gaan doen, maar niet als je daar een studie voor moet gaan volgen. Tegen beter weten in heb ik in mijn Rijnvistijd nog een avondstudie “Inkoop” gedaan. De combinatie overdag werken en ’s avonds studeren was een dramatische.

Samengevat zat ik vast aan uitzendwerk als magazijnmedewerker, was ik daar ontevreden mee en gefrustreerd omdat ik er “niets aan kon veranderen”. Dat laatste was natuurlijk niet helemaal waar, maar ik vond dat ik moest blijven werken om geld te verdienen voor Maria, want die moest wel bij “Blokker” revolutionaire vloerzwabbers en luxaflexreinigingssets kunnen blijven kopen. Maar ik ging mezelf pas echt een zielenpiet vinden toen bleek dat zelfs het arbeidsbureau niets voor mij wilde doen. “U heeft toch werk, mijnheer?!”

morgen verder

dinsdag

STRESS(10)

De Psycholoog

Niet alle verhalen over mijn ervaringen met “de hulpverlening” zijn zo bloedstollend dat je zegt: “Toe Henk, vertel meer, vertel meer!” Maar deze wil ik vanwege de vreemde afloop toch nog even kwijt. Het speelt omstreeks 1996.

Ik was weer eens bij mijn huisarts (voor een nieuwe voorraad pillen o.i.d.) en –hoe gaat dat bij zo’n huisarts- voor je het weet zit je over je gezondheid te kletsen. Of ik er wel eens over had gedacht om naar een psycholoog te gaan. Dat had ik en ik was toch ook al bij het RIAGG geweest? Ja, maar hij bedoelde een vrij gevestigd psycholoog. Maar moest ik die dan zelf gaan betalen? Nee, maar dat wist hij niet en dan moest ik even met het ziekenfonds bellen. Hij had wel goede verhalen gehoord over die en die en of me dat een goed idee leek. Ik naar huis met de telefoonnummers van die en die en meteen bellen hè; drie weken later.
Maar goed, ik maak een afspraak met één van die lui: “Ja, druk druk druk mijnheer, maar ik heb volgende maand nog wel een gaatje.”
Vóór mijn bezoek aan de psycholoog had ik mijzelf eens goed opgepept; hier moest ik toch iets aan gaan hebben, al was het maar omdat ik het uurloon van deze man zelf moest gaan betalen.

Het bleek inderdaad om een man te gaan. Ik kan me hem niet meer voor de geest halen, maar hij zal een jaar of 35 geweest zijn. Nutteloze informatie, maar het geeft wel aan hoe weinig indruk zijn voorkomen op mij maakte. Hij stelde me snel op mijn gemak en voor ik het wist zat ik mijn hele levensgeschiedenis te verhalen. Ik vertelde hem van “Lucie”, mijn steeds wisselende lichamelijke klachten, mijn problemen op het werk, mijn nachten en mijn theorieën over mogelijke oorzaken en oplossingen. Het was een goed gesprek, waarbij hij mij zonder moeite dingen liet vertellen, die ik normaal liever voor mijzelf zou houden.
Na een klein uur vroeg hij:

“En, Henk, wat verwacht je van mij?”
Ik zei zoiets als: “Wat hulp om op de goede weg te komen.”
Hij: “Welke weg?”
“Misschien dat we daar samen achter komen.”
Hij zuchtte eens diep en zei: “Jij weet zo precies te vertellen wat er allemaal fout gaat en hoe je denkt tot oplossingen te komen, dat ik niet zie hoe ik jou moet helpen. Kortom: ik heb geen hulpvraag gehoord.”
Daar zit je dan met je goede gedrag. Denk je mee; is het weer niet goed!
Ik heb nog even geprobeerd om duidelijk te krijgen wat voor soort hulpvraag hij van mij verwachtte, maar daar schoot ik niets mee op. Blijkbaar vond hij dat er te weinig eer aan mij te behalen viel. Ik had geen plannen tot zelfmoord. Of zoiets, weet ik het!
Toen ik naar huis fietste, was de regen nóg natter dan eerder die dag.

morgen verder

maandag

STRESS(9)

Het RIAGG
Mijn eerste aanraking met het professionele circuit vond plaats bij het RIAGG (Regionale Instelling voor Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg) in Utrecht, omstreeks 1994. Mijn huisarts verwees mij door en ik ging. Dat klinkt erg ongemotiveerd, maar ik had geen flauw idee wat mij te wachten stond. Ik zou het wel zien.
Ik meldde mij bij de receptie en werd opgehaald door een grijze, rijzige, slanke man van in de vijftig. Type welzijnswerker in een B-film. Verweerd, vriendelijk gezicht, gezondheidssandalen en een shaggie. Ik heb geen flauw idee meer wat zijn functie was; psycholoog, psychiater, psychiatrisch hulpverlener of iets anders geestelijks: allemaal mogelijk.
Hij bracht me naar een kamertje dat dienst kon doen als tweepersoons cel. Ware het niet dat er geen bedden stonden en er slechts ruimte was voor één persoon. En een plant. Een plant die waarschijnlijk wekelijks ververst moest worden, wegens gebrek aan licht. Harry –zo moét hij geheten hebben- ging tegen de buitenmuur in een luie stoel zitten. Ik viel, aan de andere kant van de tafel met de plant, in de andere stoel. Hij stelde zich voor:

“Hoi, ik ben Harry Dinges.”
“Hoi, ik ben Henk Bongers, zeg maar Henk.”
“Vertelt u eens mijnheer Bongers, waarmee kan ik U helpen?”

Op dat moment gingen er al een stuk of 21 alarmbellen af bij mij; een psychisch analist die niet kon luisteren, dat moest wel fout gaan! Waarom heb ik toch zo vaak gelijk?
In de vijf sessies die zouden volgen werd ik telkens geconfronteerd met zijn “trucje”. Ik moest vertellen wat ik de afgelopen week had meegemaakt op mijn werk (ik deed toen uitzendwerk) en daarna wat er allemaal goed gegaan was. En hoe ik mij daarbij voelde.

“Hoe voelt U zich dan, mijnheer Bongers?”
“Zeg maar Henk en je hoor, Harry!”
“Oké, hoe voel je je dan, mijnheer Bongers?”

Harry’s diagnose na de eerste sessie was geweest, dat ik een gebrek aan zelfvertrouwen had en dat dat even opgevijzeld moest worden. Positieve zelfbekrachtiging of zoiets, denk ik. Omdat ik hem niet op zijn psychisch geschoolde ziel wilde trappen, praatte ik gezellig mee en vertelde hem na zes consults, dat ik het idee had dat we nergens kwamen.

“Ik denk dat U daar gelijk in heeft, mijnheer Bongers. Zullen we dan maar geen nieuwe afspraak meer maken?”

Dat leek mij een goed plan.

morgen verder

zaterdag

Verjaardag, wasdag

Afgelopen donderdag vierden we Maria's 40ste verjaardag. Dank jullie, ik zal het doorgeven. Maar daar gaat het nu even niet om.
Het is namelijk wonderbaarlijk hoe de familie van Maria het altijd weer voor elkaar krijgt om de was te bespreken. Okee, het zijn voor het overgrote deel vrouwen ( 7 zussen), maar dat vind ik nog geen reden om bij elk samenzijn zo rolbevestigend tekeer te gaan.

Het 'Leidmotiv' was dit keer het opvouwen en opruimen van het gereinigde goed. Werkelijk alle invalshoeken, vouw-, hang- en stapelopties én de vereiste hoeveelheid T-shirts zijn aan de orde geweest. Vooral dit laatste bleek een heikel punt. Want wat bleek? Bij een zus- en zwagergemiddelde van 12 T-shirts bleek slechts 35% van deze -van oorsprong- onderkleding regelmatig gedragen te worden. Wegens boven op de stapel. Nochtans geraakte één zus regelmatig tot aan de bodem van haar stapel T-shirts (ik geloof 13). Dit gegeven dwong ons de wasdichtheid van elk huishouden eens nader onder de loep te nemen. De zus in kwestie (naam bekend bij de redactie) bleek gemiddeld één keer in de week een was te draaien, alwaar de meeste anderen tot het zelfde gemiddelde per dág kwamen! De samenstelling van de afzonderlijke huishoudens bleek hier een cruciale rol in te spelen.

Gelukkig hebben we ons daarna nog gezamenlijk kwaad kunnen maken, omdat bij iedereen in de straat asociaal geparkeerd wordt door de buren.
Toen iedereen in zijn keurig geparkeerde auto was gestapt, zaten Maria en ik wel mooi met een ander wasprobleem: de vaat. Het kon niet allemaal in de automaat, zó veel vaatwasser!

woensdag

STRESS(8)

Uiteraard heb ik ook nog een vrouw. Maar hoewel Maria mijn vrouw en een afgestudeerd maatschappelijk werkster is, is zij –doorgaans- niet de meest aangewezen persoon voor een luisterend oor en weldoordachte adviezen. Daarvoor staat ze te dicht bij me en heeft ze –te veel- een eigen mening over de situatie. Bovendien is het voor haar heel lang erg moeilijk geweest, om enigszins te doorgronden wat er met mij aan de hand is. Dat is ook niet zo vreemd, want soms weet ik het zelf niet eens. Daarnaast heeft zij ook nog een eigen leven en wil ze niet dag en nacht geconfronteerd worden met de pijntjes en zieleroerselen van haar man. Maria praat zelf graag. Vooral als ze uit haar werk komt.

“Mathilda was naar de kapper geweest. Het zat hartstikke leuk, joh! Ze heeft een kleurspoeling laten doen, Bordeauxblauw geloof ik”.
“Oh ja? Mmmmmm”.
“Ik zou vanmiddag geen thee zetten voor bij het eten, want Trudy was aan de beurt. Maar ja, toen was het intussen al 12.15 uur en was er nog steeds geen thee!”
“Tsssssssss.”
“Daar baal ik wel van. Ze doen de hele dag zo vreselijk druk. Alsof ze geen tijd hebben om thee te zetten en alsof ik het niet druk heb! Dat vind ik trouwens ook niet, hoor. Dat we het zo druk hebben. Dus ik denk, als ik nog wil eten en een bakkie thee erbij, dan moet ik het zelf maar weer doen.”
“Jullie maken wel wat mee hè, bij het ‘RIO’?”

Van mijn –enigszins ongeïnteresseerde- reacties wordt Maria natuurlijk ook niet vrolijk, dus een goed gesprek over mijn dag komt dan meestal niet meer op gang. Dat gebeurt meestal pas als er langdurige onvrede over iets bestaat. Inderdaad, we lijken wel een gewoon stel.
Maria vindt dat ik professionele hulp nodig heb. Dat vind ik misschien ook wel, maar de ervaringen die ik met het professionele circuit heb zijn nou niet direct bijzonder positief.

wordt vervolgd

dinsdag

STRESS(7)

Achteraf was het eigenlijk toch wel een geslaagd feest. De mensen die er wél waren, zorgden voor een prima stemming. Dit waren mijn échte collega’s!
We konden ons toen nog vermaken zonder pillen. Dat heb ik later wel behoorlijk ingehaald.

Mijn huisarts schreef mij in de beginfase slaaptabletten en licht rustgevend materiaal voor. Dat werkte allemaal voor geen meter. Van de slaaptabletten was ik de hele dag doodmoe (’s nachts minder) en van al die andere farmaceutische troep merkte ik hoegenaamd niets. Ja, in mijn darmen; maar dat was duidelijk niet de bedoeling.
De gesprekken met mijn lotgenoot, Peter V. en de fysiotherapie hadden meer effect. Ik leerde mijn “aanvallen” te pareren, te relativeren en zelfs om erop te anticiperen. Soms.
Vooral de angst- en paniekaanvallen waren de eerste jaren erg vervelend. Nú denk ik zelfs te begrijpen hoe ze tot stand komen. Dit is mijn theorie:
Door de constante stroom van negatieve gedachtes ontstaat er een enorme gedachtenbrij in je hoofd. De aard van de gedachten (“ik ga dood”) en de enorme snelheid waarmee ze door je hoofd flitsen, zorgen ervoor dat je ze op een gegeven moment niet meer kunt ordenen. Omdat je geen 59 dingen tegelijk kunt denken raak je in paniek. Omdat je s'nachts de meeste tijd hebt om na te denken, slaat een paniekaanval dan vaak toe. Overdag doe je je uiterste best om jezelf af te leiden (als je niet werkt) en ga je dingen doen die je eigelijk beter zou laten. Het lijkt mij verstandig om daar niet over uit te wijden. Rob Oudkerk kan daar inmiddels over meepraten. Laat ik in ieder geval zeggen dat ik niets strafbaars heb gedaan.

Inmiddels zit ik alweer een aantal jaar aan de antidepressiva. Hele volksstammen lopen, met die troep in hun bloedbaan, chemisch vrolijk te zijn. Graag zou ik afkicken –ja echt, daar moet je van afkicken!-, maar dat is tot nu toe nog niet gelukt. Daar heb je eigenlijk hulp bij nodig. En dan ben je aangewezen op professionele hulp, want in mijn(?) sociale omgeving is praten over STRESSklachten taboe. Denk ik, want op een enkele uitzondering na, heeft niemand geprobeerd een gesprek met mij hierover te beginnen, danwel mee te praten met mij.
Ik vind dat jammer.

morgen verder